© 2017 by ANDREAS MOULIN. Proudly created with Wix.com

VERHALEN

De Legende van Mathilda

Proloog
© 2012

Rood was de avondhemel. Rood waren de wolken die elkaar overlapten in een warme avondatmosfeer. Rood was het haar van Cam, dat mee wiegde op het ritme van de  windvlagen. De vroege lentebloesem verscheen aan de toppen en de eerste vogels zochten een geschikte plek om er de komende maanden hun toekomstige jongen te voeden. Op de achtergrond weerklonken de auto’s, werkmensen die na een zware dag werken terugkeerden om de zoveelste heruitzending van hun televisiesoap te bekijken, neergeploft met een fris biertje in de ene hand en in de andere de afstandsbediening star vastgeklampt zodat ze de macht hebben over de kanalen. Cam had zich reeds neergeploft op een andere locatie, een zachte zee van gras. De vele sprieten streelden haar hoofd terwijl ze naar de karmozijnrode hemel en haar wolken keek. Ze hapte naar adem. Terwijl sloot ze haar ogen en opende haar geest om de verse lentegeur op te snuiven. Het was een zoete frisse geur die haar geest binnendrong. Plots gebeurde het, opnieuw, net zoals gisteren en vorige week. Was het een déjà- vu?
Er verscheen een glimlach op haar lippen en ze fronste haar wenkbrauwen.  Zomaar schoot haar een gevoel binnen, een gevoel van verlangen, van verleden en van liefde. Maar plaatsen, kon ze het niet. Ze bleef zichzelf als een vreemde voelen, als een buitenstaander. Zonder zich er ook maar iets bij te kunnen voorstellen, opende ze haar geest voor dat heerlijke gevoel. Gek toch, zo’n gevoel dat je niet kan plaatsen? Een gevoel dat je plots overkomt, dat door het inademen van een frisse lentegeur een vreugdegevoel opwekt in je binnenste. Cam dacht aan Mathilda, haar moeder. Maar hoe kan ze er eigenlijk aan denken als ze Mathilda nooit gekend heeft. Toen ze nog een kleine baby was, beschikte ze nog niet  over voldoende besef en was ze dus helemaal niet in staat om het beeld laat staan de stem van haar moeder te onthouden. Normaal zou ze nu thuiskomen, haar een zoen op het hoofd geven en vragen wat welke gekke avonturen ze vandaag weer had beleefd. Ze zouden samen met papa en Ilico gezellig cocoonen of een heerlijke wandeling maken. Maar die wens zou die avond helaas niet uitkomen. Ilico, haar twee jaar oudere broer werkte in New York als advocaat. Dat was van kinds af aan zijn droom. Terwijl vele jongetjes superman, of brandweerman of zelfs koning wilden worden, wou hij advocaat worden. In tegenstelling tot die jongetjes, had hij toch zijn droom kunnen waar maken.  Cam’s vader was politieagent meer nog, hij was hoofdrechercheur. Hij moest vaak overwerken en keerde in de extreem late uren naar huis terug. Daarom stond Cam vaak zelf in voor het stillen van haar knorrende maag, ze moest zichzelf vragen hoe haar dag was geweest en alleen gaan wandelen, alleen cocoonen, alleen zijn. Maar ze hield van hem. Bovendien was hij was nog de enige die ze had, de enige die haar stiekem nog een anchtzoen kwam geven op haar hoofd, de enige die . . .
Uit het niets flitste er een foto op in Cam's gedachten. Het was een oude grijze foto die tussen de communiefoto’s en de foto van haar Ilico en Bingo op de kast in de woonkamer stond. De foto was net zoals de rest mooi ingekaderd. Het was de foto van Mathilda. Een prachtige vrouw met diepe doordringende ogen. Haar huid was zo zacht en het leek net alsof ze je aanstaarde alsof ze wist wat er in je omging, alsof ze wilde luisteren zonder een oordeel klaar te hebben. Wat met haar was gebeurd, dat bleef een groot raadsel. In de late Lente van 1996, toen Cam twee jaar was, verdween Mathilda spoorloos van de aardbodem. Alsof haar bestaan in een fractie werd opgeheven. Cam’s vader herinnerde het nog heel goed. Het was juni, donderdag, de dag dat zijn vrouw niet terugkeerde. En vanaf dan werkte hij zich zo diep in het onderzoek, dat er joekels van wallen onder zijn ogen groeiden. Vaak had hij nachten niet geslapen waardoor hij zelfs een keer was opgenomen in het ziekenhuis wegens ondervoeding en verzwakking. Maar zijn harde inspanningen waren tevergeefs. Er was geen spoor van zijn  vrouw, tot op de dag dat haar kleren werden aangetroffen aan het meer niet zo ver van de zachte groene zee waarin Cam nu naar de hemel lag te staren. De vader van Cam had het er nooit makkelijk mee. In zijn ogen was hijzelf gefaald. Er werd na een half jaar een stempel gezet onder ‘De zaak Mathilda’, zo werd haar verdwijning genoemd. Het was een echte ‘zaak’, zo een waarover de grote misdaadseries gaan. Vele jaren later besefte Cam en haar vader dat het leven doorgaat. En dat gebeurde ook. Na een zware werkdag liet Cam zich neerplonzen in het gras. De ondergaande zon maakte dansende schaduw- en lichtpatronen op het gras. Bingo was naast haar komen liggen. Hij krabde met zijn achterpoot aan zijn buik en zachtjes liet hij zijn gehijg horen totdat zijn baasje hem achter de oren krabde. Cam voelde zich gelukkig bij Bingo. Voor haar twaalfde verjaardag kreeg ze hem van tante Isidora en haar vader. Een echte herdershond. Ze mocht hem houden op voorwaarde dat ze hem zelf uitliet en zelf zijn poep opruimde. Maar dat was voor Cam geen enkel probleem. Ze had gezelschap en dat was het voornaamste. Op school zaten toch alleen maar arrogante pubers die probeerden stoer te doen met hun geflirt en de meisjes van haar klas volgden geobsedeerd de ene na de andere trent. Ze ging met twee andere meisjes om. Jessy en Dora, twee meisjes waarmee ze vaak praatte over jongens, over maandstonden en over de leerstof die soms te zwaar was om nog maar te zwijgen van de vele roddels over de leerkrachten en de leerlingen.

                                                ~

Ik zuchtte. Opnieuw opende ik mijn ogen en zag een bewegende stip in de oranjekleurige hemel voorbij zweven. Misschien zit mams daarop? Misschien heeft ze het vliegtuig genomen en komt ze om haar man en kind te omhelzen, te zeggen hoeveel ze van ons houdt en waar ze al die tijd is verbleven.
‘Als ze nog leeft!’ flitste mijn vader’s stem door mijn hoofd. Hij had het op een regenachtige woensdagavond luidop in de woonkamer geroepen in een moment van zwakte. Paps had het moeilijk toen, maar hij had de woorden uitgesproken. En het leek net alsof ze werkelijkheid werden. Die dag zal ik nooit meer vergeten, nooit. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik angst hoorde, dat ik teleurstelling en diepe schuld aantrof in zijn stem. Zomaar uit het niets, verbrak Gerard Serenity de stilte met die vier verdomde woorden ‘Als ze nog leeft!’ Jarenlang heeft hij met zijn collega’s het onderzoek gevoerd. Als een agressieve pitbull zette hij zijn tanden muurvast in de dossiers die ook maar enig spoor naar mama konden bevatten. Hij bewaarde zelfs een video van mams waarin haar foto  samen met een telefoonnummer  onder het woord ‘VERMIST’ stond. Haar plotse verdwijning had niemand verwacht. Zeker ik niet want ik was nog maar twee jaar. Maar voor Paps en Ilico moest het wel een mes door hun hart geweest zijn. Ze verwerkten het elk op hun eigen manier. Ilico maakte zijn studies af en vertrok naar New York waar hij de kans kreeg om het te maken als advocaat, een echte redenaar. Aan zijn mond zal het heus niet liggen. Hij wist zich van kind af aan al op meesterlijke wijze uit te praten uit zijn kattenkwaad en streken .  Vele puberjongetjes en meisjes in zijn kleuterklas wouden dat beroep later uitvoeren waar nog geen vacatures voor waren. Ik denk toch niet dat er vraag is naar superhelden en zelfs slechteriken, laat staan dat er toekomst in zit enen dat eht garantie biedt voor een degelijk loon. Net zoals zij onmogelijke dromen hadden, had kleine Ilico de droom om advocaat te worden en later heeft hij dat kunnen waarmaken. De verdwijning van mams was hard, te hard voor hem en dus besloot hij om verder te studeren in New York, het gerechtsparadijs voor advocaten naar ’t schijnt. Ik mis hem. De laatste keer dat ik hem zag was met Kerstmis. Maar er hangt dan altijd een gespannen sfeer, alsof het kalkoengebraad vergiftigd is en langzaam ons lichaam aantast, alsof er … er iemand dood is.
En toen papa die vier verdomd pijnlijke woorden riep, toen stond heel mijn wereld stil. ‘Het is niet omdat ze onvindbaar is, omdat ze spoorloos verdwenen is, dat ze dood is!’ schreeuwde ik terug met verdrinkende rode ogen. Maar paps smeet haar foto tegen de grond. Het jarenlange onderzoek mondde uit op een dood  spoor aan het Lamarckmeer of ook wel de grote vijver genoemd, een schitterend meer dat omringd wordt door beuken en sparren. Een heerlijke plek om tijdens de zomer verfrissing en rust te gaan zoeken. Vroeger speelde ik er blijkbaar altijd in de lente en in de zomer met Ilico, papa en mams. Maar die herinnering is te vaag voor mij. Ik herinner me nog de vele avonden dat paps doorwerkte. Dagen aan een stuk gunde hij zichzelf geen rust totdat er enige vooruitgang was in het onderzoek. Maar helaas was die er niet. De politie vond enkel de kleren van mams aan de oever van het meer. Het was een regelrechte shock voor paps. Het eerste wat in hem opschoot, wat mij ook logisch leek, was verdrinking. Maar was het zelfmoord? Misschien had ze haar kleren uitgedaan en besloot ze zich van het leven te beroven. Maar dat kan ik me niet inbeelden. Na alles wat ik van haar hoorde, had ze niet echt redenen om aan zelfmoord te denken, denk ik. Of misschien had zij haar kleren niet uitgedaan maar iemand anders, iemand met door en door slechte gedachten. Een pervert, een degoutante verkrachter die zijn prooi nadien dumpte in het water. Maar die gedachte zette ik van me af. De politie had geen sporen gevonden van aanranding of verkrachting, in zover er sporen waren tenminste. Want dat mams verdronken zou zijn, werd van de lijst geschrapt aangezien men na vele duikoperaties geen spoor van haar lichaam vond in het meer van Lamarck. Opgravingen rond het meer haalden niets uit tot paps grote ergernis. Pas na zijn zenuwinzinking zag hij eindelijk in dat hij verkeerd bezig was en dat het zo niet meer verder kon. Ik was hem bijna kwijt, net zoals mams. Dan had ik niemand meer buiten Bingo. Toen ik hem bezocht in het ziekenhuis, hoorde ik een dokter tegen hem zeggen dat hij minstens een maand niet meer mocht werken. Zijn lichaam was blijkbaar zwaar verzwakt en hij mocht nog van geluk spreken dat de inzinking geen blijvende letsels had teweeggebracht.  

Ik schrok wakker toen een klein vliegje mijn wang kietelde. Langzaam was ik blijkbaar in slaap gedommeld wat niet moeilijk was in zo'n zwoel weer. Ik hoorde de deur open gaan en vervolgens met een knal dichtvlammen. Sommige vogels buiten schrokken harder dan ik en verlieten de takken. Ik  bleef rustig liggen en probeerde om terug in de trance te komen, om terug zen te worden.

‘Cam, ik moet vanavond naar een vergadering van het corps. Er staat nog pizza in de diepvries en…’ hij onderbrak zijn avondplanning door me een kus in het haar te geven.
‘Je wilt dus zeggen dat je weer niet thuis bent?!’ vulde ik hem verder aan. Het leek niet tot hem door te dringen want hij liep terug naar de terrasdeur om te vertrekken.
‘Oh, en ik heb nog snel een film gekocht die je misschien wel kunt zien want het zal heel laat worden. Als ik morgenvroeg al weg ben, vergeet dan niet dat er geen brood meer is. Ik had gisteren geen tijd en…’
De rest hoorde ik niet meer want paps was al binnen. Hij nam zelfs niet meer de tijd om het me recht in het gezicht te zeggen, om me aan te kijken. Maar ik liet het hier niet bij. Ik zou hem eens goed de waarheid zeggen. Het begon weer opnieuw:  veel tijd voor zijn werk en amper voor de dochter. Had hij zijn lesje dan niet geleerd na die burn out? Al weken achtereen was hij amper thuis. Soms communiceerde hij enkel nog met post-its op de koelkast of smsjes van ‘Werk over, dikke kus en succes morgen op school ‘ gevolgd door een stomme smily die me heel zielig aanstaarde. Ik stond op hoewel me dat moeite kostte. Ik liep naar binnen en zag hem al de autosleutels zoeken in de schuif.
‘Fijn dat je weer eens geen tijd voor me hebt!’ zei ik op een té sarcastische toon. Deze keer leek het wel tot hem door te dringen want hij draaide zich naar me om.
Hij zuchtte en kwam naar me toe.
‘Het … het spijt me Cam. Ik… ik heb het nu niet gemakkelijk. Ik…’
‘Niet gemakkelijk?!...’ onderbrak ik hem , ‘niet gemakkelijk?! Ik heb het helemaal niet gemakkelijk. Maar je geeft me gewoon geen kans om me terug op mijn gemak te voelen. Je bent altijd maar bezig met dat verdomde politiewerk van je. Straks krijg je weer een inzinking en dan is het misschien gedaan met werken, gedaan met leven! Dan ben ik naast mams ook nog jou kwijt en dan sta ik er helemaal alleen voor. Dan sturen ze mij naar ik weet niet waar en…’
‘sssst…’ suste hij me terwijl hij zijn vinger op mijn mond legde. ‘Ik zal het nooit zo ver laten komen lieve schat. Ik zal…’
‘Dat zeg je nu eens altijd! Maar telkens opnieuw verwaarloos je me weer! Ik ben het zat, het zit me tot hier!’
‘Je hebt het moeilijk met mama hè?!’ vroeg hij. Alsof hij dacht daarmee alles te begrijpen.
Maar hij had verdomd nog gelijk ook.
‘Och, in jouw ogen is ze dood. Je gelooft er niet meer in. Je…’
‘Dat is ze ook. Je weet toch dat haar kleren…’
‘Dat is ze niet!’ protesteerde ik. ‘Ze is nooit gevonden niet in de grond, niet in het meer. Er is geen bewijs!!!’ schreeuwde ik. Ik merkte dat dat laatste er heel heftig uit was gekomen en daarbij was  ik ook nog beginnen  huilen. ‘Geloof wat je wilt, ik heb het opgegeven, je kan niet blijven zoeken. Je meot het loslaten, Cam!’
‘Dat kan jij wel maar ik zal nooit opgeven! Ik blijf de hoop koesteren dat ze hier op een dag terug staat en me omhelst. Dat ze een ouder voor me is want dat ben jij niet. Dat ben je verdomme nooit geweest! Jij…’
Ik besefte dat ik te ver was gegaan. Dat kon ik ook zien aan papa’s gezicht. Hij zweeg en keek me met doordringende ogen aan. Hij leek niet boos maar zeker niet blij. Hij was verbaasd, geschokt is misschien een betere woordkeuze. Alsof  Mathilda, mijn moeder, vlak voor hem stond, alsof hij een engel zag, iemand die een geweer naar hem richtte. En ik was diegene die ermee in zijn hart schoot. Zonder iets te zeggen griffelde hij de sleutel uit de schuif en verdween. Ik was zelfs geen blik meer waardig. Hij vlamde de deur nog harder dicht dan de eerste keer. De vogels die zich dapper terug in de takken van de bomen hadden genesteld, schrokken weer en vluchtten opnieuw van de harde knal. Enkele ogenblikken later, toen de auto wegreed, was alles opnieuw stil alsof er niets gebeurd was. Het was weer zoals enkele minuten geleden, toen ik daar nog heerlijk in het gras lag, toen er nog helemaal niets aan de hand was. Ik zakte door mijn knieën en begon te huilen. Van woede sloeg ik tegen de tafelpoot zo hard dat mijn hand er pijn van deed. Ik huilde. Niets, maar dan ook niets kon ik doen. Vanaf dan had ik niemand meer. Ilico zat in New York, mams verdwenen maar niet dood, dat kon niet, dat mocht niet en op paps troost moest ik nu ook al niet meer rekenen.
Er leunde een zacht lichaam tegen me aan. Ik keek op. Het was Bingo, mijn lieve trouwe Bingo. Ik knuffelde hem, hij jankte zachtjes, alsof hij met me meeleefde. Hij leek aan te voelen wat ik doormaakte en legde zijn pootje op mijn knie terwijl hij zachtjes hijgde. Zijn donkere oogjes staarden me aan. Alsof ze me wilden zeggen dat ik de moed niet mocht opgeven. Of hij wilde me gewoon zeggen dat hij honger had of wilde wandelen. Maar die indruk had ik niet. Ik glimlachte.
‘Gelukkig dat jij er nog bent hè Bingo?’,en ik krabde achter zijn oren. Hij fleurde er helemaal van op.

Ik stond op en zag op de kast de foto van mams, paps en mijzelf staan. Ik herinnerde me de uitzending van vermisten, de kleren van mams, de oever, de verkrachting, moord, aanranding, wat dan ook… Paps die instortte, het ziekenhuis,  Ilico die in New York zat. Het werd me allemaal te veel. Ik veegde mijn laatste tranen aan mijn mouw en liep de deur uit. Ik deed ze niet eens op slot. Het kon mij allemaal niet meer schelen. Ik wou weg, weg van dit alles, weg van al deze miserie. Ik hoorde Bingo blaffen. Hij kwam me achterna. Deze keer zonder leiband. Wat een prachthond. Een echte herdershond. Gezelschap was niet echt welkom maar voor Bingo maakte ik een uitzondering. Hij heeft altijd al naar me geluisterd ook al betwijfelde ik dat hij er iets van begreep, maar hij was mijn beste vriend. Samen liepen we de straat uit. Ik had het gevoel dat ik ‘bevrijd’ was. Verlost van een hele berg problemen. Maar de berg was er nog altijd, ik liet deze enkel achter me liggen. We liepen en liepen tot ons huis nog maar een kleine stip achter ons was. De frisse avondlucht prikkelde in mijn neus. Bingo bleef trouw naast me lopen, een echte vriend. Er was maaréén plek waar ik rust kon vinden, waar ik even mijn gedachten kon verzetten en misschien zelfs bidden, smeken dat mams terug zou komen. Een bus stopte net aan de halte waar ik voorbij kwam. Ik twijfelde eerst. ‘Ik laat… Ik laat paps hier achter.. ik..’ maar toen weerklonken zijn vier woorden weer. 'Als ze nog leeft! En ik stapte de bus op.

Ik zette me aan het raam en deed teken naar Bingo om op mijn schoot te komen liggen. Heerlijk hoe zo’n lieve hond gehoorzaamt. De bus vertrok. De hemel was goudkleurig. De straatverlichting sprong aan. Ik staarde recht voor me uit. Overal waar ik keek, leek ik mams te zien. Ik beeldde me in dat ze daar in het restaurant zat te eten of dat ze aan het wandelen was op de brug. De straatverlichting zoefde langs me voorbij. Vele lichtjes zweefden in de frisse avondlucht en de neonverlichting van de stad verdween achter ons.
Voor mij zat een meisje op de schoot van haar vader terwijl ze huilde naar haar moeder omdat haar lolly was gevallen. Dat stomme kind besefte niet half hoeveel geluk ze had. Ze moest eens weten. Ze… Ik zuchtte en probeerde opnieuw mijn tranen in bedwang te houden.
Bingo begon zachtjes te kreunen. Ik streelde hem tot hij weer stil werd. Terwijl bleef ik naar buiten staren. De gebouwen en auto’s zoefden als vage silhouetten voorbij. Het waren enkel nog maar wazige vormen totdat de bus tot stilstand kwam.

Er hing een vredige sfeer over het bospad dat we namen. Het was stil en nog net was de zon niet onder. Haar stralen deden een laatste krachtinspanning om toch een felrode horizon te schilderen. Op dat tijdstip zou er waarschijnlijk niemand meer aan de grote vijver vertoeven. Gelukkig maar want dat was net wat ik wou, rust en met rust gelaten worden. Ik wist niet wat ik zou doen, gewoon naar het water zitten staren, met Bingo spelen of gewoon in tranen uitbarsten en neerploffen in het gras of hopen dat de hemel op me zou neerstorten zodat ik weg ben uit deze hele ellende. Ik besloot gewoon af te wachten. Al snel was de wandeling ten einde. Achter de plantsels en de donkergroene gewassen kon ik al een glimp opvangen van het meer. En daar stond ik dan. Alsof ik uren in een donkere tunnel wandelde en aan het einde verblind werd door het licht, dat al bijna onder was. Een felle wind deed mijn ogen samenknijpen tot spleetjes. En toen ze weer ging liggen toen stond ik recht voor het meer. Hoewel het een doodgewoon meer leek, voelde ik toch dat er iets speciaals aan was. De sfeer die er hing, de rust en vooral de helderheid van het water. Het leek net alsof de wereld op zijn kop stond toen ik erin keek. Het was een echte spiegel.
Bingo legde zich in het gras achter me neer. Hij had geen schrik van water maar hij zou er helemaal geen duik in nemen. Daarom was het ook altijd een heel avontuur om hem in bad te krijgen. Na de achtervolging waren we vaak zelf aan een bad toe.
Mijn ogen gingen het meer af. Nergens was iemand te bespeuren. Enkele ik en Bingo. En misschien zelfs mams. Maar dat betwijfelde ik. Was ze hier echt geweest? Lagen haar kleren niet aan deze oever? En wat bezielde haar om naar hier te komen?! Misschien ook om tot rust te komen, om eens even alles op een rijtje te zetten net zoals ik toen deed. Maar wat gebeurde er dan? Men had geen spoor van haar lichaam gevonden, noch in het water, noch in de grond. Ik hurkte me en raapte een steen op die ik vervolgens in het water smeet. Dit deed ik herhaaldelijk totdat er geen stenen meer waren.

Ik zag in het meer hoe de wolken voorbijvlogen en hoe de eerste sterren zichtbaar werden.

En toen gebeurde het. Op dat moment veranderde mijn hele leven. Niemand zou me ooit geloven maar toch gebeurde het. Net toen ik me tot Bingo wou wenden, hoorde ik een plons. Het was een luide plons, een speciale. Eerst dacht ik dat het een doodgewone vrucht was die van een van de oeverbomen in het water was gevallen, maar toen ik een stem hoorde schreeuwen om hulp, draaide ik me onmiddellijk om, zoekend naar enige beweging in het meer van Lamarck. En inderdaad, in de verte spatte er water in het rond die de weerspiegeling van de avondhemel helemaal vertroebelde. ‘Arm kind’ dacht ik. En ik keek naar de dichtstbijzijnde oever. Maar daar stonden nergens mensen, geen ouders, geen broer, zelfs geen trouwe hond. Het kind spartelde en bleef om hulp schreeuwen. Als ik niet snel iets deed, zou ik hoogstwaarschijnlijk aan mijn vader moeten vertellen dat er een dood kind in de vijver lag dat ik had kunnen redden. Dat wou ik niet, dat kind moest geholpen worden en dat was precies wat ik van plan was, maar hoe?
De eerste reflex die ik had, was mijn sandalen uitdoen. Het gras was heerlijk zacht maar ik had geen tijd om daarover na te denken. Ik was niet van plan mijn rok uit te doen en mijn zomertopje hield ik ook maar aan. Het was immers een warme zomeravond en ik had toen geen zin om uit de kleren te gaan. Ik schreeuwde naar het kind om rustig te blijven, ik zou het kind redden. En met een aanloop sprong ik in het meer. Ook al was het zomer, het water voelde heel fris aan maar al snel schudde ik de rillingen van mijn lichaam door de zwembewegingen. In het begin was het een afschuwelijk gevoel. Alsof je in je broek had geplast maar dan over heel je lichaam, zo voelde ik me toen ik in het meer dook. Ik hoorde Bingo achter me blaffen. Was hij mij aan het aanmoedigen of juist aan het waarschuwen dat er helemaal niets in het water was? Misschien was er helemaal niets aan de hand maar had ik het mij gewoon ingebeeld door de spanningen en zorgen. Maar toen het geschreeuw bleef klinken en ik daadwerkelijk iemand in het water zag spartelen, wist ik dat dit realiteit was. Pas na enkele meters zwemmen kon ik een eerste glimp opvangen van het slachtoffer. Het leek helemaal niet op een kind, dat was duidelijk. Maar wat was het dan wel? Bestaan er buiten kinderen nog andere kleine wezens die kunnen praten? Ik kon er niet snel een bedenken. Misschien een klein mensje, maar toen ik dichter kwam, zag ik het. Het was… dat kon niet… dat was toch onmogelijk?! Het was een wasbeer. Een grijze kleine wasbeer die in het water zat te verdrinken. Misschien was het een speelgoedje, maar dat betwijfelde ik. Het leek zo levensecht. Ik kon zijn oogjes paniekerig zien en met zijn donkere pootjes spatte hij in het water. Nadat hij kopje onder was gegaan, schreeuwde ik. ‘Hey, niet opgeven!!! Ik ben er bijna!!!’ Ik voelde me gek. Wat was ik toen aan het doen? Praten tegen een wasbeer? Af en toe kwam het arme dier nog eens boven water maar het was kennelijk uitgeput en het zakte telkens onder het wateroppervlak. Ik besloot net hetzelfde te doen.
Nadat ik een flinke hap avondlucht stal van de lucht, dook ik. Ik opende mijn ogen maar tevergeefs. Nergens was er nog een spoor van de wasbeer. Ik draaide rond maar zonder resultaat. Ik had nog adem genoeg en dus besloot ik om me dieper te wagen. De luchtbelletjes dwarrelden langs mijn lichaam om te verdwijnen aan het oppervlak dat zich boven me uitstrekte. Nog steeds geen spoor. Toen ik steeds dieper en dieper ging, besloot ik de moed op te geven en terug een flinke hap adem te nemen. Ik richtte mijn hoofd naar boven en zette me af. Mijn voeten spartelden zodat ik steeds dichter en dichter kwam bij het wateroppervlak. Nog enkele seconden en ik had weer lucht en dan zou ik opnieuw gaan duiken. Het was misschien nog niet te laat.
Ik bereikte het wateroppervlak en scheurde mijn hoofd erdoor. Met een sierlijke beweging zwaaide ik mijn hoofd naar achter zodat mijn natte haren niet in mijn gezicht zouden plakken. Er zat water in mijn ogen. Ik veegde ze uit. Maar ik voelde dat er iets niet klopte. Ik hoorde meeuwen. Hoe konden er in godsnaam meeuwen aan dat meer zijn. En ik werd met golvende bewegingen herhaaldelijk op en neer geduwd. Niet zomaar lichtjes op en neer, maar écht op en neer. Daarbij kwam nog eens dat het zachte ruisen van de zee rond mij weerklonk en een plotse zilte geur drong mijn neus binnen. Ik wilde snel een einde maken aan mijn blindheid en onwetendheid. Ik knipperde met mijn ogen, het water was er uit. En toen schrok ik zo hard dat ik schreeuwde. Ik schreeuwde en schreeuwde. Angstig keek ik om me heen. Dit was onmogelijk! Dit was waanzin, dit kon niet zijn! Een droom, een nachtmerrie, een regelrechte illusie.

Ik dobberde in een uitgestrekte zee. Geen spoor meer van de beuken en de sparren, geen spoor meer van de oever met Bingo. Waar was ik terecht gekomen?!

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now